Onze groep is een mix van meer en minder ervaren lopers. Van mensen die 5 km als doel hebben tot hardlopers die hun hand niet meer omdraaien voor een marathon. En dan heb je Wouter Starren.
Wouter is er zo een die altijd op zoek is naar meer. Meer kilometers. Meer hoogtemeters. Meer afzien. Pas tevreden als het echt pijn gaat doen.
Dus schreef hij zich in voor de Bello Gallico: een trail van 80 of 160 km door een Belgisch bos. Met het laatste beetje verstand in zijn lijf koos Wouter voor de 80 km. (Niet die 160. Gelukkig.)
In de nacht van zaterdag 14 op zondag 15 december was het zover. Klokslag middernacht vertrok hij samen met 90 andere helden. Via live-tracking konden we hem volgen. Bij het opstaan voor de zondagochtendtraining had Wouter al ruim 50 km in de benen. Tijdens de cooling-down waren er nog 7 te gaan. En tegen de tijd dat iedereen fris gedoucht aan de koffie zat, kreeg Wouter zijn verdiende medaille.
Even de cijfers:
- 91 deelnemers, 76 haalden de finish
- Wouter: 10:54:38 -- 22e plaats
- Snelste loper: 08:03:24
En zijn eerste reactie? "Kak, wat een ellende!", appte hij zijn hardloopmaatjes.
Betekent dat volgend jaar de 160 km?
Wat is de Bello Gallico?
De Bello Gallico is een ultratrail die wordt georganiseerd in de bossen van Belgie. De naam verwijst naar Julius Caesar's geschriften over de Gallische oorlogen -- een toepasselijke naam voor een wedstrijd die aanvoelt als een veldslag. Je hebt de keuze uit 80 of 160 km. Beide afstanden gaan grotendeels door bossen, over onverharde paden, met flinke hoogtemeters.
Het bijzondere aan de Bello Gallico is de starttijd: middernacht. Je begint in het pikkedonker, met alleen je hoofdlamp en je benen. De eerste uren loop je door een bos waar je geen hand voor ogen ziet. De bomen vormen een dak boven je hoofd, de wortels grijpen naar je voeten, en je enige gezelschap is het geluid van voetstappen en ademhaling.
Dat klinkt angstaanjagend. En dat is het ook. Maar het is ook ongelofelijk mooi. Het moment waarop de zon opkomt en het bos langzaam licht wordt, is een van die ervaringen die je nooit vergeet. Na uren in het donker zie je ineens de wereld om je heen. De kleuren, de vormen, het leven. Het is alsof je herboren wordt.
De voorbereiding vanuit Grave
Een ultra van 80 km loop je niet zomaar. Daar gaat maanden training aan vooraf. Wouter bereidde zich voor vanuit Grave, met een programma dat speciaal was afgestemd op deze wedstrijd.
De basis: veel kilometers. In de weken voor de Bello Gallico liep Wouter regelmatig 80 tot 100 km per week. Dat is meer dan de meeste mensen in een maand lopen. Zijn lange duurlopen gingen over de Dijken langs de Maas richting Cuijk, en door de bossen van Gassel en Gassel. Soms was hij drie uur onderweg. Soms vier.
Daarnaast trainde hij specifiek op nachtlopen. Een paar keer ging hij in het donker het Gasselse bos in, met hoofdlamp, om te wennen aan het lopen zonder daglicht. Je ogen moeten zich aanpassen, je voeten moeten leren vertrouwen op de ondergrond zonder die te zien, en je hoofd moet leren omgaan met de eenzaamheid van het nachtelijke bos.
En dan de hoogtemeters. Het Land van Cuijk is niet bepaald bergachtig. Dus reed Wouter regelmatig naar de Herperduin Cross voor heuveltraining. Korte, steile heuvels op en af. Keer op keer. Tot zijn bovenbenen het uitschreeuwden.
De wedstrijd: uur voor uur
Middernacht. De start. Negentig lopers verdwijnen het donkere bos in. Wouter begint rustig. Bij een ultra is het zaak om niet te snel te beginnen. Je hebt 80 km voor je. Als je de eerste 20 km te hard loopt, betaal je dat in de laatste 20 dubbel terug.
De eerste uren gaan goed. Het is koud, het is donker, maar het ritme is lekker. Wouter loopt samen met een groepje van vier, vijf man. Ze wisselen geen woord. Dat hoeft niet. Het geluid van hun voetstappen is genoeg.
Bij kilometer 25 begint het lichter te worden. De eerste ochtendschemer. De bomen worden zichtbaar, de paden krijgen kleur. Dit is het mooiste moment van de race. Wouter voelt zich goed. De benen draaien, de ademhaling is rustig, de kop is helder.
Bij kilometer 40 -- de helft -- begint het zwaarder te worden. De benen zijn niet meer zo fris. De voeten beginnen te klagen. De verzorgingsposten zijn een welkome afwisseling: broodjes, bananen, cola, water. Vijf minuten rust, dan weer verder.
Ondertussen in Grave volgt de Loopgroep hem via live-tracking. "Wouter zit op 50 km!" appt iemand in het groepje. "Hij is er bijna!" Maar die laatste 30 km zijn het zwaarst.
Bij kilometer 60 slaat de vermoeidheid toe. De benen bewegen nog, maar ze protesteren bij elke stap. De schouders hangen. Het hoofd begint te twijfelen. "Waarom doe ik dit?" Dat is de vraag die elke ultraloper stelt. En het antwoord? Dat komt bij de finish.
De laatste 10 km zijn puur wilskracht. De ene voet voor de andere. Niet denken, niet voelen, gewoon lopen. En dan: de finish. De medaille. De opluchting. De trots.
10 uur, 54 minuten en 38 seconden. 22e van 91 deelnemers. 76 haalden de finish. Wouter was er een van.
Ultralopen: niet voor iedereen, wel voor bewondering
Laten we eerlijk zijn: 80 km hardlopen is niet voor iedereen. Het is een extreme sport die veel vraagt van je lichaam en je geest. De meeste mensen zullen nooit een ultra lopen, en dat is helemaal prima.
Maar de bewondering die Wouter verdient, is universeel. Of je nu 5 km loopt of 80 km: je kent dat moment waarop je lichaam zegt "stop" en je hoofd zegt "door". Bij 5 km is dat misschien bij kilometer 4. Bij 80 km is dat bij kilometer 50. Maar het gevoel is hetzelfde.
Wouter laat zien dat je vanuit een loopgroep in Grave -- een gratis club zonder faciliteiten, zonder sponsor, zonder atletiekbaan -- dingen kunt bereiken die de meeste mensen niet voor mogelijk houden. Dat inspireert. Niet om zelf 80 km te gaan lopen (alsjeblieft niet zonder training), maar om net iets verder te gaan dan je dacht te kunnen.
Die volgende 5 km. Die eerste 10 km. Die halve marathon. Iedereen heeft zijn eigen ultra. En Loopgroep Grave is de plek om die te vinden.
En nu?
"Kak, wat een ellende!" appte Wouter na de finish. Maar we kennen hem inmiddels. Over een paar weken staat hij weer bij de molen in Gassel. Fris, uitgerust en met die typische grijns die zegt: ik heb al iets nieuws in gedachten.
De 160 km? Het zou ons niks verbazen. Maar dat is voor later. Nu eerst even genieten van die 80 km. En van die welverdiende medaille.
De mentale kant van ultralopen
Over het fysieke gedeelte van een ultra wordt veel geschreven. Trainingsschema's, voeding, schoenen, materiaal. Maar de mentale kant is minstens zo belangrijk. En misschien wel belangrijker.
Bij 80 km door een donker bos word je geconfronteerd met jezelf. Er is geen afleiding. Geen muziek (de meeste ultrawedstrijden verbieden oordopjes om veiligheidsredenen). Geen gezelschap (na de eerste uren raak je de andere lopers kwijt). Alleen jij en je gedachten.
En die gedachten zijn niet altijd vriendelijk. "Waarom doe ik dit?" "Ik kan beter stoppen." "Mijn benen doen zeer." "Ik wil naar huis." Dat zijn de stemmen die bij kilometer 40, 50, 60 opduiken. En het is de kunst om ze te negeren. Of beter: om ze te erkennen, te accepteren, en dan door te lopen.
Wouter vertelde later dat hij tussen kilometer 55 en 65 serieus overwoog om te stoppen. Zijn benen waren op, zijn voeten schreeuwden, en het bos leek eindeloos. Maar hij herinnerde zich iets dat Huub ooit zei bij een zware training: "Het gaat altijd over. De pijn, de vermoeidheid, de twijfel -- het gaat altijd over. Je moet alleen lang genoeg doorlopen."
Dus liep hij door. En bij kilometer 70 ging het inderdaad over. Niet de pijn (die bleef), maar de twijfel. Ineens was het helder: hij ging dit halen. En die laatste 10 km waren de mooiste van de hele race.
Ultra-aspiraties bij Loopgroep Grave
Wouter is niet de enige bij Loopgroep Grave met ultra-aspiraties. Er is een klein maar groeiend groepje lopers dat verder kijkt dan de marathon. Bas Wartenbergh, die een paar maanden later 51 km door Limburg zou lopen. Rudy van der Heyden, die steeds langere wedstrijden op zijn lijstje zet. En een paar anderen die stilletjes trainen en plannen maken.
Dat is het mooie aan een loopgroep met zo'n brede basis. Van de 125 leden loopt misschien vijf procent serieus aan ultra's. Maar die vijf procent inspireert de rest. Ze laten zien wat mogelijk is. Dat je grenzen kunt verleggen. Dat je lichaam meer kan dan je denkt. En dat het ok is om te falen -- want niet iedereen haalt de finish bij een ultra, en dat is helemaal niet erg.